Misjel Decleer

Misjel Decleer
Profiel
Woonplaats Brugge
Geboortejaar 1950
Woont samen met Martine
Fotografeert sinds 1971
Materiaal
  • Canon kleinbeeld
  • Hasselblad Panoo
  • Pentax middenformaat-camera
  • objectieven van 12 tot 500mm
  • hulpmiddeltjes & allerhande schuiltenten
Andere jobs
  • natuureducatie
  • begeleider van fotoreizen in Europa en Azië

Andere blogs

 

 

Weblog   

De grootste en mooiste kat ter wereld


Menig vogelaar verwenst wel eens de katten uit de buurt die zijn tuin met een bezoek vereren ; vooral daar waar actievevoederplaatsen zijn of nestbakjes met een grote kroost die op het punt staat omuit te breken.

En ook amfibieën of vissen in onze tuinvijvers zijn nooit echt veilig voor hun scherpe klauwen.

Katten overleven waar onze ouwe trouwe hond crepeert.

Maar toch hebben katten het niet steeds voor de wind.

Dat geldt zeker voor de grootste van onze wilde katten.  Is de wereld te klein geworden?  Schattingen gaan van 2000 tot 5000 tijgers en dat geldt dan voor alle ondersoorten van de tijger samen geteld.

Mijn band met de tijger begon reeds 40 jaar terug.  Het was tijdens de winter van ’69 dat ik , na een speurtocht van weken, mijn eerste tijger ontmoette tijdens een nachtelijke voettocht. Dat moment staat gebeiteld in mijn geheugen.  Ik was danig in de ban van de grote kat dat ik de volgende 15 jaar jaarlijks zo’n zes maand doorbracht in het land van de tijger, India.

 


 

Dit jaar, na een interval van 6 jaar, was het weer zo ver en ik was erg benieuwd naar wat er gebeurd was in die tussentijd.

Maar het paradijs komt nooit terug.

Economisch groeit India met reuze schreden en het land is nu ook de gelukkige bezitter van files. De oppervlakte aan wasteland loopt enorm terug, de vervuiling neemt hand over hand toe en de jungles geraken steeds meer geïsoleerd van hun nevenpolen, terwijl het dodelijke verkeer in ijltempo toeneemt. En toch was ‘Project Tiger’ het mooiste en beste wat de Indische natuur kon overkomen.  Tijdens een Tierrareis die ik had gepland en begeleidde deden we vier tijgerparken aan.  In Kanha en Bandhavgarh brachten we in totaal zes dagen door en onze jeep had daarbij encounters met 14 tijger en 3 panters.

 

 

 

 

 
 

 

 

 

 

In Panna enPench moesten we ons tevreden stellen met de kleinere katten, herten en antilopen, slangen en kroks en een resem aan spectaculaire vogels.  Het voordeel was echter dat je er nog de vrijheid kon genieten om dieren of vogels gedurende lange tijd te observeren en niet gebonden was aan bepaalde toegwezen routes en tijden ; wat men nu overal invoert om lokaal te grote drukte te vermijden.  Intussen zijn de Indiërs ook wakker geworden voor hun natuurlijk erfgoed zodat de drukte in de natuurgebieden enorm is toegenomen.

 

 

 

 


 

Panna was daarin dan weer een verademing: we hebben er nauwelijks iemand ontmoet, er waren zeer veel zoogdieren met de unieke vierhoornantiloop (chawchinga) als uitspringer, het landschap was er uniek en de panter was alomtegenwoordig. Dat laatste is een zeer slecht teken in tijgerland,  waar de dieren zeer schuw zijn ten opzichte van de grote gestreepte kat. Er kwamen hooguit nog een 5-tal tijgers voor.

Tijgerinnen kunnen tot 4 jongen per worp tot volwassenheid grootbrengen (ongeveer na 22 maanden kunnen ze zelfstandig jagen)maar vandaag vallen tijgers bij tientallen voor de Chinese 'medicijnmarkten'.

Naar het vogelreservaat Barathpur had ik ook weer erg uitgekeken.  Er was echter minder water gevallen dan in de omliggende gebieden waardoor het aantal vogels relatief tegenviel.  Maar er was meer ; er was een tijger opgedoken en niet zomaar eentje.  Ik vernam er dat het dier enkele maanden terug een van mijn beste vrienden had gemolesteerd.  Daula Singh , Field director van Ranthambore jungle, moest een zaak gaan bekijken van enkele boeren die waren aangevallen in een poging hun koe te beschermen.  Toen Daula op de plaats toekwam en uit zijn jeep stapte besprong een tijger hem vanuit het opgegroeid suikerriet, hield hem met een poot in bedwang en haalde met de tweede poot uit waarbij zijn gezicht zowat aan flarden ging. 

Dank zij de tussenkomst van de eerste minister en een vlugge ingreep waarbij een rescue helikopter hem naar het hospitaal van Jaipur bracht, werd hij gered. Metalen staven moesten enkele beenderen in zijn hoofd vervangen en hij verloor ook een van zijn ogen.

Deze killer was nu opgedoken in Barathpur waardoor we , uit veiligheidsoverweging, enkel toegang kregen tot een klein deel van het gebied.

Zelfs zonder ‘de nodige’ corridors en in een zeer dicht bewoonde wereld, weten tijgers toch honderden kilometers cultuurland te overbruggen.

De grote vraag naar ‘medicijnen’ uit buurland,maar niet beste vriend, China maakt het de kat zeker niet gemakkelijker en zelfs binnen de nationale parken worden ze gedood voor zeer grof geld. Alleen een toenemend natuurtoerisme dat de nodige fondsen binnenbrengt kan de strijd aan tegen de stroperij.

Ik hoop dat komende generaties de kat nog steeds in de wildbaan zullen mogen blijven aanschouwen ; ik kan me geen grotere kick voor de geest halen dan een jungle die gonst van het alarm van apen,herten en vogels die een tijger of panter gespot hebben.

Hier alvast wat junglekiekjes,

En volgend jaar misschien afspraak te Ranthambore of Bandhavgarh.

 


 

 

28 maart 2011 12:33

Brommende wolven

 

 

 

 

Het is hoogzomer ; het was nooit mijn geliefde seizoen.

T’is alsof de zwangere lente wat is uitgeblust, de natuur zich in de menopauze bevindt. Misschien komt mijn aversie voor dit seizoen ook omdat het buitenleven gedeeld moet worden met miljoenen Vlamingen, omdat de wilde wolken en de stormen zijn gaan liggen en de hemels zijn ingeruild voor zacht turkoois, omdat de vele lenteschakeringen van kruid en blad tot egaal groen zijn verworden.

Jeudherinneringen

Terwijl ik mijmer komen zomerse jeugdherinneringen boven drijven : blootsvoets stappend vanuit mijn kleine onderkomen in de zwinduintjes naar de ingang van het park om met groepjes jongeren de schorre te verkennen als gids.  We laten bijna steeds het ‘educatief park’  - waar vogels in te kleine metalen kooien de rest van hun dagen moesten slijten – links liggen en trekken de dijk af en de vlakte in.  Ik heb er een vaste stek waar eenieder alles kan achterlaten wat overbodig was, in de eerste plaats de -soms nieuwe – laarzen, speciaal voor de gelegenheid gekocht........verder tassen, eten en wat voor ballast ook.

Die gewoonte wordt later door meerdere gidsen overgenomen, wat je al spoedig kan merken omdat de vegetatie er vertrappeld wordt en vanwege deze dynamiek geen nieuwe kansen krijgt.  Gevolg is dat de plaats geleidelijk gaat verstuiven en een open zandbak creëert temidden de hogere schorre.  De randen van de depressie gaan afkolven en er vormen zich steilwanden : een soort vertikale randen die de depressie aflijnen.

Tijdens de zomerdrukte verdwijn ik dan dikwijls naar meer afgelegen streken, tijdelijk terugkerend tijdens de hoogbloei van de schorre (eind juli, begin augustus) en de vakantiewissel,wanneer het heel even erg rustig is. 

Die nacht slaap ik buiten in een dunne slaapzak in mijn ‘zandbak’.  Het is volle maan en de vogels zijn erg actief.  Ik heb onrustig geslapen in de heldere nacht. Wanneer de morgen van een lange hete zomerdag aanbreekt, nestel ik me tegen de steilwand, moe van een onrustige nacht en ik besluit nog wat te dutten.  Ik ontwaak pas uren later bij het luidruchtig gebrom van een insect.  In mijn halfslaap sla ik het weg maar het komt enige tijd later terug rondzoemen.  Tot mijn grote verrassing ontwaar ik niet één insect maar een tandem die halstarrig voor me uit zweeft met zware trillende vleugels en vervolgens naast me landt op de uitgestoven hangwortel van helmgras.  Wanneer ik op de knieën ga om het dier beter te bekijken slaat het gebrom weer aan en klimt de tandem hogerop om uiteindelijk in een holletje te verdwijnen van de steilwand waar ik zopas had gerust.

Hoewel ik dit heerschap nooit eerder heb gezien, weet ik meteen wie hij is : een bijenwolf ; een soort graafwesp met een grote ronde kop die bijen overvalt, verlamt en aansleept in een gegraven hol als proviand voor de larven in wording. 

 

 

 

Bij nader toezien vind ik nog tientallen gaatjes.  Een ganse kolonie heeft er zich gevestigd in de zuid-oostelijke wand van mijn kleine krater en ze hebben het seizoen wel zeer goed uitgekiemd : Guido Burggraeve, toen nog conservator van het Zwin, had in een nabijgelegen duingebiedje een zevental bijenkasten staan en vele duizenden van zijn bijen vlogen de nabijgelegen schorre op om zich tegoed te doen aan de nectar van de uitgestrekte paarsbloeiende velden lamsoor.

Gefascineerd door deze insecten en andere kriebelbeestjes ga ik de plaats regelmatig opzoeken en beschouw het zowat als mijn schilderij zoals in ‘Eric of het kleine insectenboek’ van Bomans.

Wanneer ik in de kleine depressie zit verdwijn ik ook echt uit het gezichtsveld van de vlakte en is mijn wereld een uitgestoven pan met loodrechte wanden die ik als kliffen fantaseer terwijl de uitgestoven wortels als lianen slingeren in de zachte bries.

Een nieuwe zomer

Nu, zo’n veertig jaar later, hoewel het maar een fractie van die tijd lijkt, vraag ik me af wat er was geworden van mijn schilderij.  Zou het kader nog intact zijn en zou het de wespen even slecht vergaan als de bijen vandaag?  En opeens is de komende nacht te lang en de volgende dag een eeuwigheid. Ik besluit dan maar om mijn onrustige ziel de vrije sporen te geven en vertrek dezelfde avond met mijn busje riching Zwin en breng diezelfde avond nog een bezoekje aan mijn vriend Chris, de nieuwe conservator van het park. We kraken een goede fles, vergezeld van wolven- en andere verhalen en rond middernacht zoek ik een rustige stek op onder het loyale licht van een ronde maan.  Ik val weldra in slaap terwijl, vanuit een drietal richtingen, jonge uitgevlogen ransuilen via hoge kreetjes bedelen om voedsel.  Ik ontwaak bij het eerste licht van de volgende morgen terwijl de horizon in het oosten een schitterend kleurenpalet laat optekenen van roodblauwe en paarse tinten.  Omdat insecten echte zonnekloppers en warmteminners zijn trek ik eerst de lamsoorvelden in om wat sfeerbeelden van de vroegmorgen te maken. 

Klepperende ooievaars kondigen de dag aan en fijne kreetjes de terugkeer van oeverlopertjes en slanke ruiters uit noordelijke broedgebieden. Wanneer de fascinerende lichtinval afneemt en de zon hoger klimt zoek ik plots nerveus mijn stek op.  Blijkbaar wordt de plaats niet meer gefrequenteerd, het stuifzand is er overgroeid met zandzegge, doorspekt van jacobskruiskruid, echtwalstro, bremraap en ruw vergeet-me-nietje terwijl enkele bulten schitteren onder het duinsterretje.  Maar de steilwandjes zijn nog intact en wat meer is, ze zijn doospekt met tientallen gaatjes.  Nerveus pak ik mijn spullen uit, stel de camera op en wacht op wat komen zal.  Een tweetal uur later vrees ik dat het seizoen verlopen is maar wanneer ik de camera wil loskoppelen van het statief zie ik tot mijn verbazing een kopje dat zich vliegensvlug terugtrekt in zijn hol.  Heel even, maar onmiskenbaar: de grote ovaalvormige facetogen zijdelings van de kop, de lichtjes ingesnoerde zwarte sprieten, de zwartgele koptekening en de opvallend grote rode kaken met donkere uiteinden. Blijkbaar hadden de dieren mij het eerst opgemerkt en terwijl ik gefascineerd de opening van de holte in de gaten houd komt een eerste brommer aangevlogen met prooi : een stevij bij.

Ik stel een telemacro op bij het hol waar ik beweging heb gezien, bevestig een draadontspanner en hou me bewegingsloos.  Een viertal keer komt onze ‘wolvin’ voorzichtig piepen om zich steeds weer argwanend en bliksemsnel terug te trekken. 

 

 
 
Uiteindelijk vliegt ze uit.  In haar gedrag herken je reeds wat van haar jachtmethodes. Daarbij stelt ze zich op vanop een uitijkpunt – dikwijls een ietwat hogere bloemkroon – met het voorlijf ietwat opgericht.  Ontwaart ze een bij dan gaat ze ervoor hangen om dan bliksemsnel toe te slaan en haar verlammende gifangel te plaatsen tussen kop en borststuk.  De bij laat zeker niet bedijen en dikwijls buitelen beide dieren op de grond in een intens gevecht waarbij de bij tevergeefs poogt om te steken.  De angel ketst steeds af op het harde gladde lijf.  Vervolgens duwt de wolvin met haar achterlijf de honingmaag van de bij plat waardoor wat nectar uit de mond vloeit en wordt opgelikt door de wesp als voedsel.  Uiteindelijk brengt ze de bij naar haar hol waar ze vooraf een gang heeft uitgegraven die tot een meter diep loopt en op het einde vertakt in 5 à 10 broedcellen ter grootte van een duivenei.  Wanneer een drietal bijen worden aangevoerd komt er uit het ei, aangebracht in de laatste bij, een mannetje.  Indien het dubbel aantal bijen wordt aangevoerd zal er uit de broedcel een groter wijfje worden geboren.  Hoe dit in zijn gang gaat vormt nog steeds een groot raadsel.

 

 

 

 

 

Bijenwolven behoren tot de graafwespen.  Ze hebben ongeveer de grootte van een gewone wesp en zowat dezelfde kleuren.

 

 

Vrouwtjes zijn doorgaans een stuk groter dan mannetjes en hebben op het kopschild een gele tekening (het kroontje) dat bij de mannetjes drie spitse punten heeft, bij het vrouwtje twee. Mannetjes zijn nectarverzamelaars en ongevaarlijk voor bijen maar de vrouwtjes vormen echte doodseskaders die hun prooi verdoven, zodat deze verder blijft leven en de larve, die na een drietal dagen uitkomt, voorziet van een verse maaltijd.  Na ongeveer een week is de larve door de voorraad en gaat verpoppen.  Het volgende jaar zal ze dan ontpoppen tot een nieuwe bijenwolf, waarbij de cyclus rond is. Warme zomers blijken het meest productief.  Soms kan er dan ook nog een najaarsgeneratie ontpoppen. 

In de literatuur wordt dikwijls melding gemaakt van het feit dat de wijfjes hun holen afsluiten alvorens deze te verlaten.  In het Zwin vlogen ze regelmatig af en aan maar nooit werd ook maar een zichtbare poging aangewend om de toegangen te verzegelen. Misschien hadden ze wel ongelijk want er waren kapers op de kust.  Bij mijn eerste bezoek was ik verrast om nog een andere, zeer kleurrijke ‘holenbroeder’ aan te treffen.  Toen ik thuiskwam met de opnames bleek het echter om ‘Hedychrum rutilans’ te gaan, een soort zandgoudwesp die parasiteert op de larven van de bijenwolf.

 

 

goudwesp

 

De koekoekswesp

Met deze kennis in het achterhoofd moest ik terug naar mijn schilderij.  Ik had nl gelezen dat de wolf zijn gang afsloot bij het verlaten van zijn hol en datze bij de terugkeer de bij aan de nestholte even moest droppen om de holte te ontsluiten.  Het zou tijdens dit gebeuren zijn dat de zandgoudwesp haar eitje in de bij deponeerde.  Ik wilde nu weten hoe het er in het Zwin aan toe ging.  Zoals voorheen was er bij de wespen geen activiteit te bespeuren voor half tien.  Kleine , bolvormige rode mijtjes op korte pootjes, wriemelden in onregelmatige kringen over de steile wanden.  Rolpissebedden deden , soms hopeloze, pogingen om de warme depressie te ontvluchten en niet uit te drogen.  Hommels waren , net als mieren, voorbeelden van werklust en iets na negen ontwaarde ik de eerste schichtige koppen van bijenwolven die vanuit hun holte de omgeving afkeken, zich terugtrekkend bij de minste beweging die ik ondernam.  Even later kwam ook onze zandgoudwesp op de proppen.  Een nerveus beestje dat geen moment stil zat terwijl het met trillende voelsprieten de omgeving aftastte.

 

 

 

 

 

Doordat ik een reflector op de schaduwrijke wand had gericht spiegelde de glitter gewoon van deze kleine wespen af.

goudwesp

 

 

Ze koesterde zich even in de gereflecteerde zon en liep toen weer onrustig verder terwijl ik bijna vruchteloze pogingen ondernam om het dier vast te leggen.  Eentje kroop toen even in de holte vande bijenwolf en bleef een tijdje vanuit de ingang naar de buitenwereld kijken, daarna verdween ze in de holte. Iets later kwam de bijenwolf in dezelfde holte aanvliegen , liet haar bij om een ongekende reden vallen en even later was het een en al vuurwerk in de kleine holte.

 

goudwesp

 

 

Uiteindelijk buitelden beide dieren naar buiten in een beangstigend gevecht.  De zandbij deed pogingen om uit de omarming van de wesp te ontkomen en deze laatste deed hopeloze pogingen om haar angel in de goudwesp te boren.  De harde cuticula beschermde de gastheer blijkbaar afdoende. 

Als compensatie hoeft onze ‘koekoek’geen holte te graven en geen voorraad aan te brengen.  Ze legt haar eitje in een verlamde bij, aangebracht door onze wolf, en de vlug ontkiemende larve eet de larve van de bijenwolf op en doet zich tenslotte tegoed aan de rijke voorraad aangebrachte prooi. Tenslotte gaat ze ook verpoppen om als volwassen glitterinsect de ogen van de  'Erics' van deze wereld te strelen in de hoogdagen van de natuur.

De zomer is toch een prachtig seizoen ! 

11 augustus 2010 12:31

Schuldgevoelens

Misschien gemerkt aan de blogs, of het ontbreken ervan , .......we zijn aan het verbouwen.  Vloeren afgraven, muren afkappen tot op de steen, plafonds afbreken en het huis weer inpakken in een warme mantel.  Je weet waar je begint maar niet waar je eindigt.  Nu na zo'n 5 maanden komt de afwerking eraan ; het leukste en meest resulterende gevoel.

 

Intussen heb ik nieuw materiaal aangeschaft die ik nu , tussen de werken door, toch even getoetst heb aan de praktijk.
Full frame camera's, zoals ik ze steeds gebruikte, drijven kwalitatief boven.  Je kan er beter mee de hoge iso's aan.  Ze zijn stukken beter in landschapsfotografie en door hun grotere sensoren minder gevoelig voor ruis.
Maar een 800 mm objectief op een D7 is net als door een telescoop kijken.  Gewapend met dit arsenaal ben ik even door de polder getrokken : raampje open, rijstzak op het raam en niets lijkt nog onbereikbaar.  Geen convertors, naaldscherpe beelden en een bereik van zo'n 1300 mm.
En toch.

 

 

Ik herinner me nog mijn eerste tele : een Pentax 200 mm en een filmpje van 50 Asa.  ik kroop er in het Zwin letterlijk mee door het slik (er waren toen nog uitgestrekte slikplaten en er overwinterden tot zo'n 3000 bonte strandlopers).  Bij het minste alarm drukte ik mijn gezicht in het slik en bleef minuten onbeweeglijk om uiteindelijk nog zo'n 30 cm dichter te ploeteren.  En het lukte om met dit materiaal beeldvullende foto's van bontjes, tureluurs, steenlopers, drieteentjes...te maken. De groenpootjes waren mijn grote liefde ; ik viel al voor de doordringende kreetjes die de zwinvlakte animeerden.  Maar het waren oogjagers, ze verplaatsen zich vlug en alarmeerden bij gevaar de ganse omgeving.  Slechts twee maal lukte het me om er toen een beeld van te maken.  Eentje tijdens het roepen en daar was ik apetrots op.
Nu is vogelfotografie 'prèt à porter' geworden. Je reist de ganse wereld af.  Er staan hutten klaar waar vogels en dieren gevoederd worden. Je haalt je bankkaart boven en het is gegarandeerd prijs.  Ooit ben ik een keer met een teleferique bij het krieken van de dag de Mont Blanc opgeweest.  De  lift ging tot ruim boven de 3000 m.  Met zo'n 60 medepassagiers en veel gebrabbel in het Spaans, Japans, Engels....naar boven.  Iedereen in dik donspak 10 minuten op het balkon dat uitkeek op een adembenemende maagdelijke witte wereld van spitse Alpenpieken en dan terug naar beneden en opwarmen in het café achter glas.  De lift was de eerste en de laatste.  Een berg moet je opklimmen, vanuit de vallei via kleine dorpjes en gehuchtjes, langsheen bloeiende alpenweiden en roepende marmotten om zwetend op de top te komen.  Je oren moeten de vrieskou voelen, de wind en de geuren moeten je bevrijden.
Datzelfde gevoel heb ik een beetje met zo'n 800 mm.  Een tocht resulteert maar je hebt er niet voor gevochten.  Je hebt de blubber, waarin de vogels vertoeven , niet geroken, je kleren dragen de geur van munt niet mee en hooguit hangt er wat slijk aan je zolen.
Maar het resulteert.

 

 

31 januari 2010 13:04

Vilda gaat op de boekenmarkt

 Zopas verscheen , ter gelegenheid van haar 20 jarig reservaatsbestaan , een boek over de Uitkerkse polder, geïlustreerd door Vilda .  Het boek geeft een overzicht van de afgelegde weg ; het reservaat is een schoolvoorbeeld van samenwerking tussen landbouwers en natuurpunt, gestuurd via gelijklopende belangen.  Dat net achter de drukke kustgemeente van Blankenberge, met een jaarlijkse toestroom van massatoerisme , een gebied kon bewaard blijven waar de versnippering en verstedelijking een halt kon worden toegeroepen , is op zijn minst gedenkwaardig.  Via de aankoop van reeds zo'n 450 ha werden deze historische weiden vrijgesteld van verdroging en verscheuring en door een gepast beheer baltsen grutto's, tureluren, kluten....er als vanouds.  Maar misschien valt het grootste spektakel er wel te beleven rond midwinter wanneer vele duizenden watervogels er worden belaagd door kiekendieven en slechtvalken terwijl op de ietwat ruigere stukken velduilen en witte hermelijntjes constant op jacht zijn naar de vele muizen die de polder voortbrengt.  Dit en veel meer wetenswaardigheden vind je terug in het boek dat rijkelijk geïllustreerd werd in een sobere layout.  Te koop via het bezoekerscentrum De Groenwaecke.  

27 oktober 2009 09:49
vorige pagina