Het is hoogzomer ; het was nooit mijn geliefde seizoen.
T’is alsof de zwangere lente wat is uitgeblust, de natuur zich in de menopauze bevindt. Misschien komt mijn aversie voor dit seizoen ook omdat het buitenleven gedeeld moet worden met miljoenen Vlamingen, omdat de wilde wolken en de stormen zijn gaan liggen en de hemels zijn ingeruild voor zacht turkoois, omdat de vele lenteschakeringen van kruid en blad tot egaal groen zijn verworden.
Jeudherinneringen
Terwijl ik mijmer komen zomerse jeugdherinneringen boven drijven : blootsvoets stappend vanuit mijn kleine onderkomen in de zwinduintjes naar de ingang van het park om met groepjes jongeren de schorre te verkennen als gids. We laten bijna steeds het ‘educatief park’ - waar vogels in te kleine metalen kooien de rest van hun dagen moesten slijten – links liggen en trekken de dijk af en de vlakte in. Ik heb er een vaste stek waar eenieder alles kan achterlaten wat overbodig was, in de eerste plaats de -soms nieuwe – laarzen, speciaal voor de gelegenheid gekocht........verder tassen, eten en wat voor ballast ook.
Die gewoonte wordt later door meerdere gidsen overgenomen, wat je al spoedig kan merken omdat de vegetatie er vertrappeld wordt en vanwege deze dynamiek geen nieuwe kansen krijgt. Gevolg is dat de plaats geleidelijk gaat verstuiven en een open zandbak creëert temidden de hogere schorre. De randen van de depressie gaan afkolven en er vormen zich steilwanden : een soort vertikale randen die de depressie aflijnen.
Tijdens de zomerdrukte verdwijn ik dan dikwijls naar meer afgelegen streken, tijdelijk terugkerend tijdens de hoogbloei van de schorre (eind juli, begin augustus) en de vakantiewissel,wanneer het heel even erg rustig is.
Die nacht slaap ik buiten in een dunne slaapzak in mijn ‘zandbak’. Het is volle maan en de vogels zijn erg actief. Ik heb onrustig geslapen in de heldere nacht. Wanneer de morgen van een lange hete zomerdag aanbreekt, nestel ik me tegen de steilwand, moe van een onrustige nacht en ik besluit nog wat te dutten. Ik ontwaak pas uren later bij het luidruchtig gebrom van een insect. In mijn halfslaap sla ik het weg maar het komt enige tijd later terug rondzoemen. Tot mijn grote verrassing ontwaar ik niet één insect maar een tandem die halstarrig voor me uit zweeft met zware trillende vleugels en vervolgens naast me landt op de uitgestoven hangwortel van helmgras. Wanneer ik op de knieën ga om het dier beter te bekijken slaat het gebrom weer aan en klimt de tandem hogerop om uiteindelijk in een holletje te verdwijnen van de steilwand waar ik zopas had gerust.
Hoewel ik dit heerschap nooit eerder heb gezien, weet ik meteen wie hij is : een bijenwolf ; een soort graafwesp met een grote ronde kop die bijen overvalt, verlamt en aansleept in een gegraven hol als proviand voor de larven in wording.
Bij nader toezien vind ik nog tientallen gaatjes. Een ganse kolonie heeft er zich gevestigd in de zuid-oostelijke wand van mijn kleine krater en ze hebben het seizoen wel zeer goed uitgekiemd : Guido Burggraeve, toen nog conservator van het Zwin, had in een nabijgelegen duingebiedje een zevental bijenkasten staan en vele duizenden van zijn bijen vlogen de nabijgelegen schorre op om zich tegoed te doen aan de nectar van de uitgestrekte paarsbloeiende velden lamsoor.
Gefascineerd door deze insecten en andere kriebelbeestjes ga ik de plaats regelmatig opzoeken en beschouw het zowat als mijn schilderij zoals in ‘Eric of het kleine insectenboek’ van Bomans.
Wanneer ik in de kleine depressie zit verdwijn ik ook echt uit het gezichtsveld van de vlakte en is mijn wereld een uitgestoven pan met loodrechte wanden die ik als kliffen fantaseer terwijl de uitgestoven wortels als lianen slingeren in de zachte bries.
Een nieuwe zomer
Nu, zo’n veertig jaar later, hoewel het maar een fractie van die tijd lijkt, vraag ik me af wat er was geworden van mijn schilderij. Zou het kader nog intact zijn en zou het de wespen even slecht vergaan als de bijen vandaag? En opeens is de komende nacht te lang en de volgende dag een eeuwigheid. Ik besluit dan maar om mijn onrustige ziel de vrije sporen te geven en vertrek dezelfde avond met mijn busje riching Zwin en breng diezelfde avond nog een bezoekje aan mijn vriend Chris, de nieuwe conservator van het park. We kraken een goede fles, vergezeld van wolven- en andere verhalen en rond middernacht zoek ik een rustige stek op onder het loyale licht van een ronde maan. Ik val weldra in slaap terwijl, vanuit een drietal richtingen, jonge uitgevlogen ransuilen via hoge kreetjes bedelen om voedsel. Ik ontwaak bij het eerste licht van de volgende morgen terwijl de horizon in het oosten een schitterend kleurenpalet laat optekenen van roodblauwe en paarse tinten. Omdat insecten echte zonnekloppers en warmteminners zijn trek ik eerst de lamsoorvelden in om wat sfeerbeelden van de vroegmorgen te maken.
Klepperende ooievaars kondigen de dag aan en fijne kreetjes de terugkeer van oeverlopertjes en slanke ruiters uit noordelijke broedgebieden. Wanneer de fascinerende lichtinval afneemt en de zon hoger klimt zoek ik plots nerveus mijn stek op. Blijkbaar wordt de plaats niet meer gefrequenteerd, het stuifzand is er overgroeid met zandzegge, doorspekt van jacobskruiskruid, echtwalstro, bremraap en ruw vergeet-me-nietje terwijl enkele bulten schitteren onder het duinsterretje. Maar de steilwandjes zijn nog intact en wat meer is, ze zijn doospekt met tientallen gaatjes. Nerveus pak ik mijn spullen uit, stel de camera op en wacht op wat komen zal. Een tweetal uur later vrees ik dat het seizoen verlopen is maar wanneer ik de camera wil loskoppelen van het statief zie ik tot mijn verbazing een kopje dat zich vliegensvlug terugtrekt in zijn hol. Heel even, maar onmiskenbaar: de grote ovaalvormige facetogen zijdelings van de kop, de lichtjes ingesnoerde zwarte sprieten, de zwartgele koptekening en de opvallend grote rode kaken met donkere uiteinden. Blijkbaar hadden de dieren mij het eerst opgemerkt en terwijl ik gefascineerd de opening van de holte in de gaten houd komt een eerste brommer aangevlogen met prooi : een stevij bij.
Ik stel een telemacro op bij het hol waar ik beweging heb gezien, bevestig een draadontspanner en hou me bewegingsloos. Een viertal keer komt onze ‘wolvin’ voorzichtig piepen om zich steeds weer argwanend en bliksemsnel terug te trekken.
Uiteindelijk vliegt ze uit. In haar gedrag herken je reeds wat van haar jachtmethodes. Daarbij stelt ze zich op vanop een uitijkpunt – dikwijls een ietwat hogere bloemkroon – met het voorlijf ietwat opgericht. Ontwaart ze een bij dan gaat ze ervoor hangen om dan bliksemsnel toe te slaan en haar verlammende gifangel te plaatsen tussen kop en borststuk. De bij laat zeker niet bedijen en dikwijls buitelen beide dieren op de grond in een intens gevecht waarbij de bij tevergeefs poogt om te steken. De angel ketst steeds af op het harde gladde lijf. Vervolgens duwt de wolvin met haar achterlijf de honingmaag van de bij plat waardoor wat nectar uit de mond vloeit en wordt opgelikt door de wesp als voedsel. Uiteindelijk brengt ze de bij naar haar hol waar ze vooraf een gang heeft uitgegraven die tot een meter diep loopt en op het einde vertakt in 5 à 10 broedcellen ter grootte van een duivenei. Wanneer een drietal bijen worden aangevoerd komt er uit het ei, aangebracht in de laatste bij, een mannetje. Indien het dubbel aantal bijen wordt aangevoerd zal er uit de broedcel een groter wijfje worden geboren. Hoe dit in zijn gang gaat vormt nog steeds een groot raadsel.
Bijenwolven behoren tot de graafwespen. Ze hebben ongeveer de grootte van een gewone wesp en zowat dezelfde kleuren.
Vrouwtjes zijn doorgaans een stuk groter dan mannetjes en hebben op het kopschild een gele tekening (het kroontje) dat bij de mannetjes drie spitse punten heeft, bij het vrouwtje twee. Mannetjes zijn nectarverzamelaars en ongevaarlijk voor bijen maar de vrouwtjes vormen echte doodseskaders die hun prooi verdoven, zodat deze verder blijft leven en de larve, die na een drietal dagen uitkomt, voorziet van een verse maaltijd. Na ongeveer een week is de larve door de voorraad en gaat verpoppen. Het volgende jaar zal ze dan ontpoppen tot een nieuwe bijenwolf, waarbij de cyclus rond is. Warme zomers blijken het meest productief. Soms kan er dan ook nog een najaarsgeneratie ontpoppen.
In de literatuur wordt dikwijls melding gemaakt van het feit dat de wijfjes hun holen afsluiten alvorens deze te verlaten. In het Zwin vlogen ze regelmatig af en aan maar nooit werd ook maar een zichtbare poging aangewend om de toegangen te verzegelen. Misschien hadden ze wel ongelijk want er waren kapers op de kust. Bij mijn eerste bezoek was ik verrast om nog een andere, zeer kleurrijke ‘holenbroeder’ aan te treffen. Toen ik thuiskwam met de opnames bleek het echter om ‘Hedychrum rutilans’ te gaan, een soort zandgoudwesp die parasiteert op de larven van de bijenwolf.
De koekoekswesp
Met deze kennis in het achterhoofd moest ik terug naar mijn schilderij. Ik had nl gelezen dat de wolf zijn gang afsloot bij het verlaten van zijn hol en datze bij de terugkeer de bij aan de nestholte even moest droppen om de holte te ontsluiten. Het zou tijdens dit gebeuren zijn dat de zandgoudwesp haar eitje in de bij deponeerde. Ik wilde nu weten hoe het er in het Zwin aan toe ging. Zoals voorheen was er bij de wespen geen activiteit te bespeuren voor half tien. Kleine , bolvormige rode mijtjes op korte pootjes, wriemelden in onregelmatige kringen over de steile wanden. Rolpissebedden deden , soms hopeloze, pogingen om de warme depressie te ontvluchten en niet uit te drogen. Hommels waren , net als mieren, voorbeelden van werklust en iets na negen ontwaarde ik de eerste schichtige koppen van bijenwolven die vanuit hun holte de omgeving afkeken, zich terugtrekkend bij de minste beweging die ik ondernam. Even later kwam ook onze zandgoudwesp op de proppen. Een nerveus beestje dat geen moment stil zat terwijl het met trillende voelsprieten de omgeving aftastte.
Doordat ik een reflector op de schaduwrijke wand had gericht spiegelde de glitter gewoon van deze kleine wespen af.
Ze koesterde zich even in de gereflecteerde zon en liep toen weer onrustig verder terwijl ik bijna vruchteloze pogingen ondernam om het dier vast te leggen. Eentje kroop toen even in de holte vande bijenwolf en bleef een tijdje vanuit de ingang naar de buitenwereld kijken, daarna verdween ze in de holte. Iets later kwam de bijenwolf in dezelfde holte aanvliegen , liet haar bij om een ongekende reden vallen en even later was het een en al vuurwerk in de kleine holte.
Uiteindelijk buitelden beide dieren naar buiten in een beangstigend gevecht. De zandbij deed pogingen om uit de omarming van de wesp te ontkomen en deze laatste deed hopeloze pogingen om haar angel in de goudwesp te boren. De harde cuticula beschermde de gastheer blijkbaar afdoende.
Als compensatie hoeft onze ‘koekoek’geen holte te graven en geen voorraad aan te brengen. Ze legt haar eitje in een verlamde bij, aangebracht door onze wolf, en de vlug ontkiemende larve eet de larve van de bijenwolf op en doet zich tenslotte tegoed aan de rijke voorraad aangebrachte prooi. Tenslotte gaat ze ook verpoppen om als volwassen glitterinsect de ogen van de 'Erics' van deze wereld te strelen in de hoogdagen van de natuur.
De zomer is toch een prachtig seizoen !