Moerassen en plassen en hun eigenzinnige levensvormen
behoren ongetwijfeld tot de eerste ervaringen die mijn fascinatie voor de
natuur stimuleerden. Pas zo’n
anderhalf decennium later , in de moerassen van Barathpur, zouden de gevederde
vrijbuiters me in de ban brengen van de ornitologie en de rode draad gaan
vormen in mijn verdere natuurexploten.
Het was Bholu Khan , mijn
uilenvriend uit India die me ’s nachts zou meeloodsen naar een zestiental
uilensoorten en nachtzwaluwen, en het was ook dusdanig dat we ontmoetingen
kregen met jungle-, vis- en civetkatten, schubdieren, dassen , jakhalzen,
mierenegels ....tijdens de nachtelijke amfibieënconcerten. Te Barathpur maakten we boomhutten van
waaruit we de uilen konden observeren tijdens het grootbrengen van de kroost ,
en we kenden tientallen roestplaatsen van diverse soorten die we overdag
nacheckten en waar we braakballen verzamelden. Tijdens maanverlichte nachten zagen we ze vleermuizen verschalken
boven het moeras, terwijl visuilen zelfs het nat doorbraken om amfibieên of
vissen te grijpen. Tijdens de
schemering localiseerden we diverse soorten via hun roep en kregen zo een idee
van de populatiegrootte. Toen we
later ook de tijgerjungles gingen verkennen , keken we steeds weer uit naar
oude holle bomen, oude spechtenesten of ruigtes in het moeras om een blik op te
vangen van onze geliefde nachtraven.
Terug thuis ging ik bij valavond
wandelen om het gewiew van de steenuiltjes te horen en sliep ik met open
dakvenster of de huiveringwekkende territoriale roep van de bosuil op te
volgen. In de nabijgelegen meersen
ontdekte ik een gemeenschappelijke slaapplaats van ransuilen en vanaf dan ging
ik ze , wanneer ik thuis was , dagdagelijks bezoeken als break voor de
eindeloze uren van beeldverwerking achter de computer. Een klein maar naadloos scherp
kijkertje, gevallen van de kerstboom, was mijn enig attribuut.
Maar de uilengekte steeg ten top
toen ik enkele weken terug bij volle daglicht een zestal velduilen zag jagen in
een laaggelegen ruige weide in de Uitkerkse polder. John, de conservator, had me reeds een tweetal maand tevoren
verwittigd maar ik had toen geen taferelen voor ogen van een dergelijk
schouwspel. Het was zoals het
hoort, op een zonnige zondagnamiddag en een dertigtal fotografen stonden langs
de weg opgesteld. De dieren
trokken zich nauwelijks iets aan van die aandacht. Ze hielden een veiligheidsmarge aan van zo’n 15 meter maar
verder kon je ze jagend, baltsend, zeilend, biddend of gewoon rustend op de
grond observeren. Soms ging er
eentje even op een oude knoestige weidepaal postvatten wat terstond een verhuis
van fotografen opleverde in die richting.
De uil keek je dan recht aan met zijn dikke rolronde kop, geaccentueerd
door de lichte veertjes van een gezichtssluier waarbinnen zwavelgele ogen met
donkere omranding je gadesloegen.
Een lichte borst met donkere lengtestrepen en een grof rugpatroon van
brede donkerbruine vlekken vervolledigden het beeld. Nu vielen ook de poten duidelijk op met hun lichte
crèmekleurige bevedering tot aan de donkere klauwen. Even wiegelt de uil zachtjes heen en weer, draait de kop
zo’n 180 °, staart naar het gras en duikt letterlijk de grond in om vervolgens
plaats te nemen op een nog dichtere weidepaal. Consternatie onder de fotografen die ze eventjes recht
aankijkt, waarna ze de vleugels hoog op laat veren en de lucht
kiest....geruisloos! Wanneer
ze ons overvliegt lijkt ze wel een engel met haar lange slanke V-vormige
vleugels en haar lichte onderdelen.
Ze glijdt over de tegenoverliggende wei, maakt een scherpe loop en duikt
weer neer met vooruitgestrekte poten.
Een kleine buiteling, een strakke neerwaartse blik en dan merken we een
veldmuis in de klauwen. Dit
tafereel zou ik in de volgende uren nog een vijftal keer meemaken. In de wetenschap dat de uilen hier
reeds een tiental weken vertoefden en elke uil dagelijks enkele muizen buit
maakt krijg je zo een beeld over het aantal muizen dat deze polder
herbergt. En er waren nog kapers
op de kust. Witte kleine rovertjes
met krieloogjes en een gitzwart staarteinde , contrasterend met de sneeuwwitte
vacht, holden over de weide, volgden de rietkragen en sprongen zelfs de grachten over.
Hoewel velduilen overwegend op
het zicht jagen speelt ook het gehoor een belangrijke rol. De gehoorgangen (bedekt door de
sluierveertjes van de kop) liggen vlak onder de buitenste oogrand. Door het geringe tijdsverschil
waarmee de oren achtereenvolgens een geluid opvangen kunnen ze de prooi bijna
perfect localiseren. Zo weten
velduilen met hun lange poten zelfs muizen te vangen in tunnels onder de
sneeuw. Toch heeft het gehoor van
een uil een lager frequentiebereik dan bij de mens. Zuivere of zeer lage tonen vallen dan ook moeilijk te
detecteren, geritsel des te beter.
Te vlug valt de duisternis in maar
het vuur is aangewakkerd. De uilen
zullen waarschijnlijk nog tot een stuk in de nacht doorjagen. Door terreinkennis in het geheugen op
te slaan en zo obstakels te vermijden kunnen ze zelfs in gitzwarte nachten
verder jagen.
Toch is de velduil, die zowat een
circumpolaire verspreiding bezit, de meest dagactieve van alle euraziatische
uilen , met pieken in de late namiddag tot middernacht en weerom tijdens het
aanbreken van het eerste licht tot enkele uren erna en ook afhankelijk van de
weersomstandigheden en het succes der jacht.
Uilen kunnen niet zoals veel
andere roofvogels voedselvoorraden in de krop bewaren; vandaar dat ze soms echte voorraden gaan aanleggen, vooral
tijdens de voorplanting, waarbij de nestrand gesierd wordt met geslagen muizen
en kleine zangvogels. Waar
uilensoorten elkaars territorium overlappen zou je verwachten dat ze op
verschillende voedseldieren gaan prederen. Toch is dit in het Noorden, waar de meeste soorten voorkomen
, niet zo en vormen woelmuizen zo’n 85 % van het voedselaanbod van alle daar
aanwezige uilen. Tijdens
muizenpiekjaren stijgt dit percentage nog en gaan ze dan ook allen op muizen
jagen. Deze muizenjaren houden dan
weer rechtsteeks verband met de zaadproductie van bomen en stuiken en
bijzondere klimaatomstandigheden.
Bij magere jaren zoeken de volwassen dieren alternatieve prooien maar
bij jonge uitgevlogenvogels treedt dan grote sterfte op. Vooral territoriale soorten komen
daarbij onder druk.
Onze velduil , die een zeer goede
vlieger is, kan dan soms enorme afstanden overbruggen. Ze verlaten in de winter de noordelijke
contreien en zwerven verder rond tot ze een goed jachtterrein hebben
gevonden. Wanneer deze gunstige
jachtsituatie aanhoudt tot in de lente , kan een aantal velduilen er tot
broeden overgaan. In onze
contreien zijn de gegevens daaromtrent zeer schaars. In ’57 , na een hevige overstroming, werd één jonge velduil
teruggevonden in de overstroomde zwinvlakte. De Blankaart en Meetkerke telden enkele mislukte of
twijfelachtige pogingen.
Een jonge velduil die in mei werd
geringd op het nest in Beieren werd het daaropvolgende jaar gevangen in het
Oeralgebergte , meer dan 3300 km
verder. In 1952 werden meer dan
duizend velduilen waargenomen in de noordoostpolder en in 1923 schoot een jager
er 25 neer in een tijdspanne van slecht enkele uren. In de winter van ’78 werden nog ruim 50
overwinterende vogels geteld in de polders te Meetkerke. Afschot was toen nog steeds de grootste
doodsoorzaak van deze beschermde vogel.